| Samenvatting
Het zelfstandig
ondernemerschap van immigranten heeft de laatste jaren een geweldige vlucht genomen, niet
in de laatste plaats in de Amsterdam. Zo is het aantal ondernemers uit de kringen der
immigranten er tussen 1989 en 1997 verdubbeld, van 3482 tot 6943 ondernemingen! Daarmee
steekt de hoofdstad met kop en schouders uit boven andere grote steden zoals Rotterdam en
Den Haag. Immigranten zijn met name actief in de horeca en detailhandel en in mindere mate
in de groeisector bij uitstek, de dienstverlening, al zijn er wel aanwijzingen dat zij hun
relatieve achterstand ten opzichten van inheems Nederlandse ondernemers langzaam maar
zeker inlopen. Vooralsnog grijpen immigranten vooral de kansen die zich voordoen als
gevolg van het vertrek van inheemse ondernemers en als gevolg van de groei van-wat wel
wordt genoemd-etnische markten. Immigrantenondernemers concentreren zich in het algemeen
aan de onderkant van deze markten waar zij zich toeleggen op laagdrempelige en
laagwaardige activiteiten. Het gaat dan om activiteiten die relatief weinig institutionele
belemmeringen kennen in de vorm van hoge opleidings- of andere eisen, die technologisch
eenvoudig zijn, en geen grote investeringen vergen. De concurrentie in zulke markten is
scherp en pakt veelal uit als concurrentie op prijs. Dit zet de winstmarges onder druk,
wat vervolgens een sterke wissel trekt op de opbouw van financiële reserves en de
capaciteit om in nieuwe activiteiten te investeren. Deze marktomstandigheden oefenen een
inherente druk uit om zaken dan maar informeel te regelen. Om kosten te besparen vergeten
sommige ondernemers soms belastingen en sociale premies af te dragen.
Uit verschillende onderzoeken die recentelijk zijn verricht, maar
ook uit het advies dat de Sociaal-Economische Raad in 1998 aan het kabinet heeft gegeven
ter zake van het ondernemerschap van immigranten, komt naar voren dat veel ondernemers
kampen met financiële problemen. Velen hebben grote moeite om vreemd kapitaal aan te
trekken, vooral als het gaat om grotere bedragen en bij Nederlandse banken (Kumcu, Lambooy
& Safaklioglu 1998). Het is evident dat dit gebrek aan kapitaal een ernstige
belemmering vormt voor de ondernemers die willen groeien, of die uit laagwaardige markten
willen breken. De overheid heeft voor (startende) ondernemers allerlei voorzieningen
beschikbaar gemaakt-bijvoorbeeld in de vorm van bijzondere bijstand-maar immigranten maken
slechts mondjesmaat gebruik hiervan. Er is sprake van forse onderbenutting.
Verder schort het een en ander aan het financiële
management van immigrantenondernemingen. Zo zijn er aanwijzingen dat niet alle ondernemers
hun prijzen even doeltreffend calculeren, of dat zij hun boekhouding op orde hebben. Dat
tast niet alleen de solvabiliteit van de onderneming aan, maar trekt bovendien de aandacht
van de belastingdienst of andere controlerende instanties, met alle risico's voor de
continuïteit van de onderneming. Ook schrikt het potentiële financiers af. Tenslotte
zijn er berichten dat immigrantenondernemers amper de weg hebben gevonden naar
verzekeringsbedrijven om allerlei risico's door middel van verzekeringen af te dekken.
Zoveel is duidelijk: op het terrein van de financiering
van immigrantenondernemingen is de situatie verre van optimaal. Het is in het belang van
immigrantenondernemers zelf, en--gezien het groeiend aantal immigrantenondernemingen in
Amsterdam--ook dat van de stedelijke economie om deze situatie te verbeteren. De kennis van zeken op het onderhavige terrein laat nog
veel te wensen over. Daardoor is niet altijd duidelijk wat er precies aan de hand is, laat
staan welke structurele determinanten werkzaam zijn. Is het bijvoorbeeld zo dat
immigrantenondernemers betrekkelijk weinig vreemd kapitaal werven omdat zij toch in
laagdrempelige en laagwaardige markten opereren waarvoor weinig kapitaal nodig is? Is het
zo dat banken en andere financiële instellingen niet zo belangrijk zijn omdat immigranten
gebruik kunnen maken van eigen, cultureel bepaalde vormen van kapitaalsverwerving, die
eerder steunen op sociaal kapitaal dan op economisch onderpand? Of is het zo dat de
terughoudendheid van banken en financiële instellingen om aan immigrantenondernemers
kapitaal te lenen dezen juist naar laagwaardige markten sluist? Dit zijn slechts enkele
vragen die in verschillende Nederlandse onderzoeken al wel terloops aan de orde worden
gesteld, zonder echter dat systematisch naar antwoord wordt gezocht. Wat er over
financiële aspecten van immigrantenondernemerschap bekend is, is al met al beperkt en
fragmentarisch. Toch loont het de moeite om een meer gerichte zoektocht door de
beschikbare literatuur te maken, teneinde een balans van kennis te kunnen opmaken. In het
buitenland, met name in de Verenigde Staten en Engeland, zijn financiële aspecten vaker
voorwerp van onderzoek geweest. In hoeverre de bevindingen elders zonder meer op de
situatie in Nederland toepasbaar zijn, is een kwestie die nader moet worden bekeken.
Deze kortlopende inventariserende en explorerende studie
richt zich op de ontwikkeling van het ondernemerschap van immigranten in Nederland, de
betekenis hiervan voor de financiële positie van deze ondernemingen, de externe
financiering van immigrantenondernemingen, de manier waarop binnen het bedrijf financiële
zaken worden geregeld, en de rol van financiële instellingen en intermediairs.
Download PDF: 264 KB
|