Samenvatting
De positie van
immigranten op de arbeidsmarkt in Nederland is allesbehalve rooskleurig. In vergelijking
met inheemse Nederlanders is zowel de hoogte als de duur van de werkloosheid onder hen
buiten proporties, en dat is inmiddels al jaren zo. Natuurlijk bestaan er differentiaties
binnen de verzamelcategorie van immigranten, maar een aanzienlijk aantal maakt min of meer
permanent deel uit van een segment dat buiten de formele arbeidsmarkt verkeert. Voor die
slechte positie worden allerlei verklaringen genoemd, die veelal liggen in de sfeer van
deficiënties van immigranten (te lage opleiding, te weinig kennis van de Nederlandse
taal, onvoldoende aansluiting bij informele netwerken van Nederlandse werkgevers) of in de
sfeer van discriminatie. Er zijn evenwel ook meer sociaal- economische verklaringen
denkbaar. Die hebben betrekking op de specifieke manier waarop de economie zich ontwikkelt
en op het institutionele kader waarbinnen zulks zich afspeelt. Wat dat laatste betreft kan
onder andere worden gewezen op de make-up van de verzorgingsstaat. Met zijn uitkeringen en
minimumloon leidt deze weliswaar tot een vermindering van de sociale polarisatie en
deprivatie, maar tegelijkertijd ook tot een vergroting van de kosten van
laaggekwalificeerde arbeid en geringere prikkels om laagbetaald werk te aanvaarden.
Bovendien worden de eigen rol en de hulpbronnen van immigranten zo eerder genegeerd dan
dat er een appèl op wordt gedaan.
Dit neemt niet weg dat sommige immigranten wel degelijk
een economische rol opeisen. Ze zijn dan misschien niet altijd gezegend met een scherp
inzicht in de Nederlandse samenleving of de wet- en regelgeving -- maar wie eigenlijk wel?
--, toch weten zij vindingrijk en doortastend gebruik te maken van de beschikbare
hulpbronnen. De economische initiatieven die zij hiermee ontplooien, vinden deels plaats
in de informele sfeer.
In deze studie hebben we aan de hand van literatuur
geïnventariseerd op welke wijze en in welke mate immigranten bij de informele economie
betrokken zijn. Die literatuurverkenning heeft een uiterst magere oogst opgeleverd. De
spaarzame aandacht is eenzijdig uitgegaan naar de tewerkstelling van illegalen of naar
activiteiten in de criminele sfeer. Het 'meer gangbare' gesjoemel -- zoals
belastingontduiking of overtreding van de vestigingswet -- is goeddeels buiten beschouwing
gebleven. Zo ontstaat (onbedoeld) de indruk dat immigranten geen deel hebben aan de
informele economie, tenzij het puur illegale of criminele activiteiten betreft. In de
tweede plaats troffen we in de voorhanden zijnde literatuur geen eenstemmigheid aan over
de invulling van het begrip informaliteit. In de derde plaats ontberen de verrichte
studies een theoretisch perspectief. Daardoor blijft het beeld van de informele economie
verbrokkeld en ontbreekt inzicht in de samenhang en dynamiek van formele en informele
activiteiten.
De omschrijving van de informele economie is een
hoofdstuk apart: hoofdstuk twee. De informele economie bestaat uit activiteiten gericht op
het genereren van inkomen zonder dat de wet- en regelgeving in acht wordt genomen. Het
onderscheidende kenmerk is of economische activiteiten al dan niet binnen een regulerend
institutioneel kader worden uitgeoefend. Informaliteit is dus een kenmerk van een
economische handeling, niet van een persoon. Een scherpe afbakening van het begrip en
vooral een heldere operationalisering zijn moeilijk te creëren, zeker in de Nederlandse
verzorgingsstaat met zijn complexe wet- en regelgeving. De veelheid van regels (die elk
een bepaalde vorm van informaliteit kunnen genereren) en hun dynamiek (samenhangend met
veranderingen in de wet- en regelgeving) spelen de onderzoeker parten, terwijl de manier
waarop de handhaving wordt uitgevoerd het geheel nog eens doorkruist. In feite vormen de
formele en informele economie ideaaltypische uitersten, vergelijkbaar met nat en droog in
het waddengebied. We hebben ten slotte beredeneerd dat systematisch onderzoek naar
informele activiteiten afzonderlijke wetsregels als uitgangspunt dient te nemen, omdat
alleen per wetsregel zinvol kan worden vastgesteld of en in welke mate er sprake is van
overtredingen.
In de huidige, zich ontwikkelende postindustriële
economie ligt het zwaartepunt in de dienstensector, zijn bedrijven onderling verbonden in
ketens van uitbesteding, is flexibilisering een normale praktijk en is de druk tot
informalisering groter dan tot dusver het geval was. Dit laatste geldt in beginsel voor
alle categorieën van de bevolking. De economische transformaties hebben belangrijke
gevolgen voor de differentiële kansenstructuur voor immigranten: ze werpen nieuwe
blokkades op en berokkenen hun nadeel, maar bieden terzelfder tijd ook kansen. Die kansen
worden gevoed door de eigen gemeenschappen, want aan de inbedding in de eigen sociale
netwerken kunnen immigranten concurrentievoordelen ontlenen. Belangrijk hier is dat deze
postindustriële transformatie niet alleen veranderingen teweegbrengt in de formele, maar
nadrukkelijk ook in de informele economie. Die kansen zijn vooral te verwachten in de
zogenoemde etnische economieën, dus in die segmenten van de economie waarin immigranten
een significant aandeel hebben. In zulke economieën vormt het zelfstandig ondernemerschap
de spil waar alles om draait, zowel bij formele als informele activiteiten.
Wij hebben dit nader verkend in vier sectoren, te weten
de horeca, de slagerijen, de bakkerijen en de loonconfectie- industrie. Dit zijn de
sectoren waarin immigranten prominent aanwezig zijn en waarin de (vooralsnog vage)
contouren van etnische economieën opdoemen. In onze -- noodgedwongen tamelijk
impressionistische -- beschrijvingen hebben we een kleurrijk palet van informele
activiteiten gepresenteerd. In wisselende mate ontduiken ondernemers er de afdracht van
belastingen, premies en verplichte contributies, lichten zij de hand met hygiënecodes, de
Arbo-wetgeving en de Hinderwet, ontbreken de kwalificaties om een bedrijf te mogen voeren,
maken zij gebruik van zwartwerkers en illegale vreemdelingen en gaan zij flexibel om met
afspraken rond de winkelsluitingstijden en minimumprijzen voor bepaalde producten. Deze
droge opsomming wekt ten onrechte de indruk dat er in de beschreven branches weinig zou
deugen. De lezer bedenke zich dat wij de schijnwerper selectief hebben gericht op
onregelmatigheden.
In dit verband is het van belang om op te merken dat het
ondernemerschap van immigranten zich niet gelijkmatig over de gehele sector uitstrekt. Het
gros legt zich toe op de meer laagdrempelige en laagwaardige economische activiteiten. In
zekere zin pikken immigrantenondernemers de minder aantrekkelijke graantjes die andere,
inheemse ondernemers hebben laten liggen. In de confectie-industrie bijvoorbeeld, troffen
we amper immigranten aan bij de bedrijven die zich toeleggen op de meer lucratieve
aspecten als het ontwerpen of de marketing van confectieproducten, maar des temeer bij
loonbedrijven die opereren in een hoogst onzekere en competitieve markt. In beperkte mate
zijn immigranten in de andere sectoren in staat gebleken eigen markten te creëren,
bijvoorbeeld door de productie en verkoop van typisch 'etnische' producten, zoals Turks
brood of halâl-vlees. Echter, ook in die markten is hun product de facto
laagwaardig, onder andere als gevolg van het gebruik van (te) goedkope grondstoffen, het
geringe assortiment of de sobere presentatie van de producten.
In alle beschreven branches is sprake van lage
toetredingsdrempels, met als gevolg een groot aantal gegadigden voor het ondernemerschap.
Veel, misschien te veel immigranten wagen een gokje in dezelfde markt en het gevolg is een
weergaloze prijsconcurrentie. Die concurrentie werkt in zekere zin informele productie in
de hand: het ontduiken van wettelijke verplichtingen levert de ondernemer immers
bezuinigingen op. Inheemse Nederlanders die in dezelfde markt actief zijn, ondervinden
deze druk evenzeer. De ondernemers reageren er heel verschillend op. Sommigen nemen de
kans op knoeierij al te graag waar; anderen komen meer 'per ongeluk' in de informele
economie terecht. Naarmate een ondernemer minder zicht heeft op de wet- en regelgeving en
de bureaucratie, moet de kans op informaliteit groter worden geacht. In de complexe
verzorgingsstaat die Nederland met zijn vele en weinig doorzichtige uitvoeringsorganen is,
is dat eigenlijk niet eens zo raar. Daarnaast moet worden geconstateerd dat het
vakmanschap van immigrantenondernemers nog wel eens onder de maat blijft: het ontbreekt
menigeen aan voldoende ondernemersvaardigheden, zoals marketing en prijscalculatie.
Menig ondernemer weet zich voor het verwerven van
informatie, kapitaal en arbeid verzekerd van steun van verwanten en anderen uit hun
netwerken. Er zijn verscheidene pogingen geweest om de ondernemers van één bepaalde
etnische categorie binnen één bepaalde branche te organiseren. Binnen zulke organisaties
worden dan afspraken gemaakt over de professionalisering van de activiteiten en over de
handhaving van minimumprijzen. Sommige van deze organisaties hebben daartoe zelfs overleg
gevoerd met de overheid of met brancheorganisaties. Van grote continuïteit is evenwel
geen sprake. De meeste samenwerkingsverbanden blijken tamelijk breekbaar te zijn, deels
omdat men elkaar als concurrenten blijft zien, deels omdat tastbare resultaten uitblijven.
De brancheorganisaties of bedrijfschappen hebben diverse
malen en met wisselende intensiteit een handreiking gedaan naar immigrantenondernemers uit
hun branche. Zulke inspanningen worden vaak ingegeven door klachten van inheemse
ondernemers dat immigranten ongestraft de strenge regels mogen overtreden waaraan zij zich
zelf keurig houden, of door het streven om hun branche hoogwaardig te houden. De
brancheorganisaties voelen zich niet altijd gesteund door de overheid, die de handhaving
van regels inadequaat zou controleren. Dit laatste geldt overigens niet voor de
loonconfectie-industrie. Daar hebben ingrijpende acties van multidisciplinaire
fraudebestrijdingsteams ertoe bijgedragen dat de werkgelegenheid in de sector, en ook een
beetje daarbuiten, in een korte tijdspanne gedecimeerd is.
beleidsoverwegingen
De structureel toenemende kansen voor informele
economische activiteiten en de specifieke rol die immigranten hierin spelen, lijken de
overheid voor een almaar nijpender dilemma te plaatsen. Die overheid ziet zich
geconfronteerd met de mogelijkheid dat overtreding van door haar opgestelde regels zal
toenemen, maar tegelijkertijd zouden de informele economische activiteiten kunnen
bijdragen aan een proces van sociale en economische emancipatie van uitgerekend die
groepen waar dit proces tot dusver nogal moeizaam is verlopen.
Een grote lankmoedigheid van de overheid ten aanzien van
informele economische activiteiten zou ten eerste kunnen leiden tot een (verdere) erosie
van het vertrouwen in de overheid als opsteller en handhaver van regels in het algemeen.
Een tweede bezwaar tegen een verregaande tolerantie van regelovertreding is dat allerlei
breedgedeelde doelstellingen op het gebied van bijvoorbeeld milieu, arbeidsomstandigheden
en de kwaliteit van waren gevaar zouden kunnen lopen. Een derde, meer specifiek politiek
bezwaar betreft het risico dat de overheid, die geacht wordt neutraal te zijn en niet te
discrimineren, bij het overtreden van regels in bijvoorbeeld etnische economieNn andere
maatstaven hanteert dan zij elders in het economisch verkeer doet. Zeker op de wat langere
termijn zou dit tegenbedoelde politieke consequenties kunnen hebben, omdat de overheid zo
bijdraagt aan een sociaal-economische politiek die werkelijke of vermeende etnische
scheidslijnen versterkt in plaats van overbrugt.
Maar ook het andere uiterste -- strikte handhaving van de
regels -- is weinig aantrekkelijk. Ondernemerschap is voor immigranten van oudsher een
belangrijke avenue of mobility. Even onmiskenbaar, en ongeacht de herkomst van de
ondernemer, gaat dit zeker in de beginfase nu eenmaal vaak gepaard met een informele
werkwijze. Het effectief tegengaan van die activiteiten zou wel eens als onbedoeld
neveneffect kunnen hebben dat die route drastisch ingeperkt wordt. Immigranten, die zich
toch al geconfronteerd zien met obstakels van velerlei aard -- bijvoorbeeld bij het zoeken
naar een baan of het verkrijgen van een lening --, zouden zo ook nog eens worden belemmerd
bij het benutten van hun eigen potenties. Dit laatste kan niet zomaar onder de tafel
worden geveegd. Het gaat hier immers om personen die het lot in eigen handen nemen en
metterdaad demonstreren dat zij bereid zijn een actieve rol in de economie te spelen. De
maatschappelijke betekenis van het economisch handelen van immigrantenondernemers wordt
bovendien verveelvoudigd door het feit dat zij aan veel andere immigranten arbeid en
inkomen verschaffen.
Een eerste en tevens tamelijk voor de hand liggende weg
dit dit dilemma lijkt het verschuiven van de grens tussen formele en informele economische
activiteiten. Door de regels te versoepelen of zelfs geheel weg te nemen, kan wat eens
informeel was formeel worden. Het probleem van de uitholling van het vertrouwen in de
overheid lijkt zo te worden ontlopen, terwijl men met een simpele pennenstreek toch de
ruimte schept voor die activiteiten welke belangrijk zijn voor de kansen op sociale
stijging van immigranten.
Men kan deze deregulering (hier breed opgevat, dus
inclusief belasting- en sociale premieregelingen) generiek aanpakken door op nationaal
niveau regels terug te dringen. Deze vorm van deregulering maakt inmiddels al weer jaren
deel uit van het economische beleid van de opeenvolgende kabinetten in Nederland. De
ruimte voor generieke deregulering in geavanceerde economieën is evenwel tamelijk beperkt
gebleven. Regels voor een hele reeks van terreinen (milieu, gezondheid,
arbeidsomstandigheden en de kwaliteit van het product) kunnen wel worden gestroomlijnd,
maar gezien de mogelijk schadelijke gevolgen niet wezenlijk worden beknot. Er is wel meer
ruimte om te sleutelen aan belasting- en premiedruk, de hoogte van het minimumloon en de
verblijfsvergunningen van de betrokken ondernemers en werknemers. Maar hier wordt de
handelingsvrijheid ingeperkt door de algemene financiële situatie, de relatie van het
minimumloon met het sociale zekerheidsstelsel, de immigratiepolitiek enzovoort. Blijven
over de regels ten aanzien van vestigingseisen en ondernemersvaardigheden. Zeker onder de
vorige minister van Economische Zaken is op dit terrein al het een en ander gebeurd. Van
een generieke politiek van (verdere) deregulering valt op korte termijn evenwel niet veel
te verwachten. Het is een uitermate moeizaam en tijdrovend proces, terwijl de ruimte voor
echte ingrepen erg klein blijkt te zijn. Op zijn best, zo schijnt het, worden bepaalde
vormen van deregulering kortstondig toegepast in de meer feestelijke sfeer. Zo schieten
tijdens de Uitmarkt en Koninginnedag onder goedkeurend oog van de autoriteiten talrijke
informele onderneminkjes als paddestoelen uit de grond. Maar ook bij zulk een bijzondere
vorm van deregulering naar tijd en plaats komen de begrenzingen van deregulering scherp
aan het licht. Ze gaat namelijk gepaard met een ongemeen grote activiteit van handhavende
instanties zoals de Keuringsdienst van Waren.
Men zou deregulering echter ook meer specifiek voor
bepaalde gebieden kunnen toepassen, bijvoorbeeld door economische ontwikkelingszones in te
stellen. De lokale specificiteit maakt dan ogenschijnlijk een veel verder gaande
deregulering mogelijk, niet eens zozeer ten aanzien van milieu, arbeidsomstandigheden en
productkwaliteit of minimumloon en verblijfsvergunningen, maar wel op het terrein van
belasting- en premiedruk alsmede ten aanzien van vestigingsvergunningen. De eventuele
nadelen van deregulering neemt men dan op de koop toe. Er zijn immers grotere belangen in
het geding, zoals het versterken van de economische kansen van achtergestelde
bevolkingscategorieën of het revitaliseren van verpauperde stadsdelen. De voorbeelden van
Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hebben laten zien dat deze specifiek territoriale
vorm van deregulering slechts met veel fantasie als een wenkend perspectief kan worden
gezien.
Ten eerste lijkt het verlagen van belasting- en
premiedruk uiteindelijk maar weinig aantoonbare effecten te hebben gehad op het niveau van
de bedrijvigheid in de regio als geheel. Voorzover de bedrijvigheid en werkgelegenheid in
enterprise
zones toenamen, zijn deze niet onomstotelijk toe te schrijven aan de zoneprogramma's.
Ten tweede is er hoegenaamd geen sprake geweest van het witten van informele activiteiten.
Noch in Groot-Brittannië, noch in de Verenigde Staten was dit een officiële doelstelling
van het beleid. Evenmin waren informele activiteiten een punt van aandacht van de
uitvoerders van het beleid. Integendeel, zij wedden eerst en vooral op de sterkere,
formele bedrijven die veel banen kunnen verschaffen. Ten derde is gebleken dat een beleid
gericht op territoriale deregulering specifieke problemen met zich brengt. Door een
bepaald gebied af te bakenen, worden vaak bestuurlijke problemen in het leven geroepen.
Men creëert in feite een nieuwe, politiek-ruimtelijke entiteit die langs andere grenzen
loopt dan de reeds bestaande. Hierdoor gaan veel tijd en energie verloren met onderlinge
stammentwisten. Ten vierde is er het dubieuze effect op de netto-regeldruk. Het voorbeeld
van de Verenigde Staten leert dat de uitzonderingspositie van de bedrijven in de
enterprise zones juist met veel, vaak tamelijk bureaucratische procedures gepaard gaat. Om
een bepaalde vrijstelling te verkrijgen, moet men aan een reeks van voorwaarden voldoen.
Daarmee lijkt de papierwinkel eerder te zijn uitgebreid dan afgenomen. Van deregulering
komt al met al feitelijk niet zo heel veel terecht, de politieke retoriek rond enterprise
zones ten spijt.
Als we de Angelsaksische ervaringen in Nederland willen
toepassen, doen zich nog meer specifieke problemen voor. In de Nederlandse
verzorgingsstaat, die in vergelijking met Groot-Brittannië en zeker met de Verenigde
Staten zowel op de arbeids- als woningmarkt fors ingrijpt, is niet alleen de sociale
deprivatie minder ernstig, maar is ook de concentratie van armoede per buurt minder sterk.
In zekere zin levert dit meer kansen op voor ondernemers uit achtergestelde buurten. Het
stelsel van uitkeringen zorgt er in ieder geval voor dat in zulke buurten een minimale,
maar relatief toch betrekkelijk grote koopkracht gehandhaafd blijft. Voor deze ondernemers
blijft er dus een potentiële markt beschikbaar. Daarnaast zijn buurten in Nederland in
sociaal-economisch opzicht gemengd, is het ruimtelijke schaalniveau van de deprivatie
kleiner en zijn de bewoners uit achtergestelde buurten lang niet zo getekend als zij in de
Verenigde Staten soms zijn. Het hoge niveau van de Nederlandse verzorgingsstaat
bemoeilijkt de toepasbaarheid van ervaringen elders ook op een andere manier. Een deel van
het beleid dat in de Verenigde Staten met veel bombarie als onderdeel van een enterprise
zone- of empowerment zone- programma is gepresenteerd (vooral dat ten aanzien van
infrastructuur en leefomgeving), is in Nederland feitelijk al staand beleid. Wie wil
putten uit de Amerikaanse ervaringen in deze en in Nederland iets nieuws wil presenteren,
bijvoorbeeld in de vorm van kansenzones, moet wel van zeer goede huize komen. Een laatste
probleem is dat een op Amerikaanse leest geschoeid beleid van territoriale deregulering in
Nederland kan stuiten op juridische barrières. In het bijzonder de territoriale
vrijstelling van belastingen zou volgens het Europese recht opgevat kunnen worden als
concurrentievervalsing. In hoeverre deze barrières overkomelijk zijn, kunnen wij niet
goed beoordelen.
Generieke deregulering -- hoe nuttig wellicht ook -- en
territoriale deregulering in de vorm van economische ontwikkelingszones -- een veel
twijfelachtiger vorm van deregulering -- bieden zoals gezegd geen goede uitweg voor de
overheid uit het dilemma van het toestaan van wetsovertredingen en het blokkeren van een
belangrijke weg tot emancipatie van immigranten. Wat dan wel?
We zagen dat het gros van de immigrantenondernemers
opereert in een markt waarbinnen een structurele impuls tot informeel produceren bestaat.
Zo ook zagen we dat een effectieve, volledige controle praktisch onmogelijk is vanwege de
gefragmenteerde structuur van de hier betrokken bedrijfstakken. Echt verbazingwekkend mag
dit niet zijn. Zolang er regels en belastingen zijn, bestaat er een economische ratio om
die te ontduiken. Het verleggen van de grens tussen formeel en informeel kan dan wel
succesvol zijn in het formaliseren van sommige, of misschien zelfs maar een deel van
sommige activiteiten, maar een volledige formalisering is nimmer haalbaar. Dit geldt bij
uitstek voor complexe verzorgingsstaten als de Nederlandse. In zulke staten, met hun
onmetelijke verscheidenheid aan regels, is vrijwel geen mens in staat alle regels te
kennen, laat staan ze correct na te leven. Slechts aan een enkeling is zulk een volkomen
onberispelijk gedrag voorbehouden. Informele economische activiteiten (van immigranten èn
anderen) zijn zo bezien op zijn minst deels onvermijdelijk.
In zulke gevallen kiest men in Nederland doorgaans voor
een nuchter beleid, bestaande uit het al dan niet oogluikend toestaan van bepaalde
praktijken in combinatie met het aanpakken van excessen. De praktijk van de afgelopen
jaren leert ons dat de overheid zich in bepaalde branches en/of in haar handhaving van
bepaalde regels inderdaad terughoudend heeft opgesteld. Het gedogen van bepaalde
regelovertredingen is wat dat betreft geenszins een idee fixe. Zeker wanneer het gebeurt
met het oogmerk de economische positie van bepaalde delen van de bevolking te versterken,
is het een reële optie, mits het niet leidt tot een outlaw economy. Een tot op
zekere hoogte onontkoombare mate van gedogen dient overeenkomstig de Nederlandse
bestuurstraditie 'soepel, vastberaden, maar met mate' te geschieden.
Dit betekent overigens niet dat de overheid iedereen
zomaar zijn of haar gang moet laten gaan. Integendeel, ze moet trachten de onderliggende
economische logica van de informele economie aan te pakken. Ze moet de avenue of
mobility die het ondernemerschap kan zijn, zo breed en zo effen mogelijk maken.
Immigrantenondernemers moeten worden geholpen om hun bedrijf verder te ontwikkelen en
langs deze weg de druk tot informeel produceren te ontlopen. Geleidelijke
upgrading
van de betrokken bedrijven, waarmee de moordende prijsconcurrentie in het onderste segment
kan worden vermeden, is dan een oplossing.
Wezenlijk in een dergelijk stimuleringsbeleid is dat
actief gebruikgemaakt wordt van het sociale kapitaal waarover immigranten (kennelijk
ruimschoots) beschikken. Duurzame markttransacties, het wordt te vaak door economen
vergeten, vinden immers niet in het luchtledige plaats, maar zijn ingebed in reeksen van
netwerken. Die netwerken genereren het benodigde vertrouwen en maken het uitwisselen van
informatie mogelijk. Zonder dit sociale kapitaal wordt zowel het waarnemen van
marktprikkels als het uiteindelijk deelnemen aan die markttransacties een moeizame zaak.
Hetzelfde sociale kapitaal dat immigranten in de informele economie comparatieve voordelen
biedt, dient aangewend te worden voor een versterking van de positie van
immigrantenondernemers in de formele economie. Netwerken van veel informeel opererende
immigrantenondernemers omvatten doorgaans wel de (potentiële) werknemers en consumenten,
maar strekken zich zelden uit tot bijvoorbeeld brancheorganisaties, externe
kapitaalverschaffers of relevante andere diensten. Geld lenen, het opstellen van een
ondernemingsplan en het invullen van allerlei overheidsformulieren vormen vaak grote
problemen voor deze categorie van ondernemers.
Zeker voor organisaties uit de particuliere sector ligt
hierin een taak weggelegd. Zij kunnen bij uitstek bijdragen aan het versterken van
intermediaire structuren. Het feit dat bedrijfslichamen en brancheorganisaties in bepaalde
sectoren op bescheiden schaal reeds actief zijn, is wat dat betreft bemoedigend. Niettemin
zouden zij meer dan tot dusver kunnen bemiddelen in de toeleiding van
immigrantenondernemers tot vakopleidingen of tot financiering. De overheid kan deze
activiteiten stimuleren door subsidies te verstrekken voor het aanstellen van medewerkers
en/of het opzetten van programma's gericht op het mobiliseren van immigrantenondernemers
binnen een sector. De bedrijfslichamen en brancheorganisaties binnen bepaalde sectoren
zouden voorts platforms van (immigranten)ondernemers kunnen oprichten. Die platforms
dienen niet alleen om de netwerken van (immigranten)ondernemers formeler gestalte te
geven. Ze kunnen ook gebruikt worden om aan ondernemers informatie over regels,
opleidingen en faciliteiten door te geven, en om hun belangen binnen de sector te
articuleren. Enige betrokkenheid van publieke functionarissen is hierbij wenselijk: op die
manier kan de overheid zich dienstig maken aan het bedrijfsleven. Het toekennen van een
rol aan bedrijfslichamen en brancheorganisaties sluit overigens goed aan bij de
corporatistische structuur van het bedrijfsleven in Nederland. Uiteindelijk moeten al deze
inspanningen leiden tot vormen van zelfregulering.
Wat die zelfregulering betreft, zijn diverse vormen
denkbaar. Binnen een reeks van branches (slagerijen, dansscholen, fitnesscentra en zelfs
prostitutie) wordt bijvoorbeeld met de instelling van keurmerken getracht beunhazerij uit
te bannen en de kwaliteit van de branche als geheel op te vijzelen. De initiatiefnemers
speculeren daarbij wel op het gezonde verstand van consumenten.
Zoals eerder gesteld, moet de overheid zich ten opzichte
van (informele) ondernemers bovenal presenteren als partner, in plaats van als controleur
of hoofdcommies. Een belangrijke opdracht hierbij is het aanzienlijk transparanter maken
van de bureaucratie. Wie in Nederland een bedrijf begint, moet zich door een woud van
regels werken, waarbij hij tal van instanties -- verwacht maar ook onverwacht -- op zijn
weg vindt. Het bevorderen van samenwerking tussen instanties, maar vooral het bieden van
dienstverlening aan één loket liggen dan zeer voor de hand. Net als bij de Amerikaanse
Economic Development Corporations zouden (startende) ondernemers zich moeten kunnen
vervoegen bij één bepaalde medewerker die de weg wijst in de bureaucratie en die voeling
houdt met de ondernemer (in spe). Daarnaast zou de overheid meer goedkope bedrijfsruimte
beschikbaar kunnen stellen (eventueel in de vorm van starterscentra), meer en
toegankelijkere opleidingen kunnen aanbieden, meer microleningen kunnen verlenen en, als
consument van een veelheid van goederen en diensten, meer gebruik kunnen maken van het
aanbod van kleine (immigranten)ondernemers.
Het valt te bezien of voor zulk economisch
stimuleringsbeleid aparte zones moeten worden opgericht. Een bezwaar is dat uitgerekend
van buurten met de grootste problemen en van mensen met de zwakste arbeidsmarktpositie en
laagste opleiding het meest wordt verwacht: zij zouden zich als het ware aan de eigen
bretels uit het moeras moeten hijsen. Het ligt meer in de rede om aan te sluiten bij de
bestaande administratieve indelingen.
Ten slotte dit. Ook dit beleid zal niet het paradijs op
aarde brengen. Immigranten zullen niet direct massaal via het ondernemerschap hun
achterstandspositie achter zich laten. Daarvoor zijn de mogelijkheden te beperkt en is de
weg te lastig. Men bedenke dat de economie maar in beperkte mate door de overheid te
beïnvloeden is. Niettemin zal een deel van de immigrantenondernemers in staat zijn met
een eigen bedrijf de weg naar boven in te slaan. Dit zal weer ruimte creëren voor nieuwe
ondernemers die de opengevallen plaatsen in het onderste segment zullen overnemen,
onvermijdelijk deels op basis van informele productie. Weer andere zullen zelf de stap
niet kunnen maken, maar daarentegen zal hun nageslacht -- zoals dat ooit met kinderen van
Italiaanse pizzabakkers en joodse kruideniers in de Verenigde Staten gebeurde en
tegenwoordig met kinderen van Aziatische ondernemers in Groot-Brittannië gebeurt --
betere kansen voor sociale mobiliteit hebben. Met een dergelijke dynamiek van bedrijven en
personen, waarbij steeds weer nieuwe groepen in een voor informele economische
activiteiten gunstige situatie terechtkomen, is niets mis. Integendeel. Belangrijk is dat
er een voortdurende doorstroming plaatsvindt, zodat specifieke groepen niet blijvend met
informele economische activiteiten worden geassocieerd. De overheid moet immigranten aldus
helpen om deze fase zo snel mogelijk te overstijgen. Het beleid gaat dus ook in deze zin
over grenzen.
|