BOOKMARK this site 

  

University of Amsterdam Institute for Migration and Ethnic Studies (IMES)


Jan Rath

Professor of Urban Sociology
Director of the Institute for Migration and Ethnic Studies (IMES)
Universiteit van Amsterdam

Home News Vita Publications Downloads Research Education

Contact

You are in >> Home >> Book zone >> Over Grenzen

<< Back

Over Grenzen
Over Grenzen Over Grenzen. Immigranten en de Informele Economie Dutch language only
Een inventariserende studie in opdracht van de Tijdelijke Wetenschappelijke Commissie Minderhedenbeleid (TWCM). Voorstudie 10
Robert Kloosterman, Joanne van der Leun & Jan Rath
Download PDF: 582 KB 
 
Amsterdam: Het Spinhuis, 1997.
ISBN 90 5589 078 2, NUGI 664
145 pp


Samenvatting
Inhoud
 
Samenvatting
De positie van immigranten op de arbeidsmarkt in Nederland is allesbehalve rooskleurig. In vergelijking met inheemse Nederlanders is zowel de hoogte als de duur van de werkloosheid onder hen buiten proporties, en dat is inmiddels al jaren zo. Natuurlijk bestaan er differentiaties binnen de verzamelcategorie van immigranten, maar een aanzienlijk aantal maakt min of meer permanent deel uit van een segment dat buiten de formele arbeidsmarkt verkeert. Voor die slechte positie worden allerlei verklaringen genoemd, die veelal liggen in de sfeer van deficiënties van immigranten (te lage opleiding, te weinig kennis van de Nederlandse taal, onvoldoende aansluiting bij informele netwerken van Nederlandse werkgevers) of in de sfeer van discriminatie. Er zijn evenwel ook meer sociaal- economische verklaringen denkbaar. Die hebben betrekking op de specifieke manier waarop de economie zich ontwikkelt en op het institutionele kader waarbinnen zulks zich afspeelt. Wat dat laatste betreft kan onder andere worden gewezen op de make-up van de verzorgingsstaat. Met zijn uitkeringen en minimumloon leidt deze weliswaar tot een vermindering van de sociale polarisatie en deprivatie, maar tegelijkertijd ook tot een vergroting van de kosten van laaggekwalificeerde arbeid en geringere prikkels om laagbetaald werk te aanvaarden. Bovendien worden de eigen rol en de hulpbronnen van immigranten zo eerder genegeerd dan dat er een appèl op wordt gedaan.
Dit neemt niet weg dat sommige immigranten wel degelijk een economische rol opeisen. Ze zijn dan misschien niet altijd gezegend met een scherp inzicht in de Nederlandse samenleving of de wet- en regelgeving -- maar wie eigenlijk wel? --, toch weten zij vindingrijk en doortastend gebruik te maken van de beschikbare hulpbronnen. De economische initiatieven die zij hiermee ontplooien, vinden deels plaats in de informele sfeer. Go to top

In deze studie hebben we aan de hand van literatuur geïnventariseerd op welke wijze en in welke mate immigranten bij de informele economie betrokken zijn. Die literatuurverkenning heeft een uiterst magere oogst opgeleverd. De spaarzame aandacht is eenzijdig uitgegaan naar de tewerkstelling van illegalen of naar activiteiten in de criminele sfeer. Het 'meer gangbare' gesjoemel -- zoals belastingontduiking of overtreding van de vestigingswet -- is goeddeels buiten beschouwing gebleven. Zo ontstaat (onbedoeld) de indruk dat immigranten geen deel hebben aan de informele economie, tenzij het puur illegale of criminele activiteiten betreft. In de tweede plaats troffen we in de voorhanden zijnde literatuur geen eenstemmigheid aan over de invulling van het begrip informaliteit. In de derde plaats ontberen de verrichte studies een theoretisch perspectief. Daardoor blijft het beeld van de informele economie verbrokkeld en ontbreekt inzicht in de samenhang en dynamiek van formele en informele activiteiten.Go to top
De omschrijving van de informele economie is een hoofdstuk apart: hoofdstuk twee. De informele economie bestaat uit activiteiten gericht op het genereren van inkomen zonder dat de wet- en regelgeving in acht wordt genomen. Het onderscheidende kenmerk is of economische activiteiten al dan niet binnen een regulerend institutioneel kader worden uitgeoefend. Informaliteit is dus een kenmerk van een economische handeling, niet van een persoon. Een scherpe afbakening van het begrip en vooral een heldere operationalisering zijn moeilijk te creëren, zeker in de Nederlandse verzorgingsstaat met zijn complexe wet- en regelgeving. De veelheid van regels (die elk een bepaalde vorm van informaliteit kunnen genereren) en hun dynamiek (samenhangend met veranderingen in de wet- en regelgeving) spelen de onderzoeker parten, terwijl de manier waarop de handhaving wordt uitgevoerd het geheel nog eens doorkruist. In feite vormen de formele en informele economie ideaaltypische uitersten, vergelijkbaar met nat en droog in het waddengebied. We hebben ten slotte beredeneerd dat systematisch onderzoek naar informele activiteiten afzonderlijke wetsregels als uitgangspunt dient te nemen, omdat alleen per wetsregel zinvol kan worden vastgesteld of en in welke mate er sprake is van overtredingen.
In de huidige, zich ontwikkelende postindustriële economie ligt het zwaartepunt in de dienstensector, zijn bedrijven onderling verbonden in ketens van uitbesteding, is flexibilisering een normale praktijk en is de druk tot informalisering groter dan tot dusver het geval was. Dit laatste geldt in beginsel voor alle categorieën van de bevolking. De economische transformaties hebben belangrijke gevolgen voor de differentiële kansenstructuur voor immigranten: ze werpen nieuwe blokkades op en berokkenen hun nadeel, maar bieden terzelfder tijd ook kansen. Die kansen worden gevoed door de eigen gemeenschappen, want aan de inbedding in de eigen sociale netwerken kunnen immigranten concurrentievoordelen ontlenen. Belangrijk hier is dat deze postindustriële transformatie niet alleen veranderingen teweegbrengt in de formele, maar nadrukkelijk ook in de informele economie. Die kansen zijn vooral te verwachten in de zogenoemde etnische economieën, dus in die segmenten van de economie waarin immigranten een significant aandeel hebben. In zulke economieën vormt het zelfstandig ondernemerschap de spil waar alles om draait, zowel bij formele als informele activiteiten.
Go to top
Wij hebben dit nader verkend in vier sectoren, te weten de horeca, de slagerijen, de bakkerijen en de loonconfectie- industrie. Dit zijn de sectoren waarin immigranten prominent aanwezig zijn en waarin de (vooralsnog vage) contouren van etnische economieën opdoemen. In onze -- noodgedwongen tamelijk impressionistische -- beschrijvingen hebben we een kleurrijk palet van informele activiteiten gepresenteerd. In wisselende mate ontduiken ondernemers er de afdracht van belastingen, premies en verplichte contributies, lichten zij de hand met hygiënecodes, de Arbo-wetgeving en de Hinderwet, ontbreken de kwalificaties om een bedrijf te mogen voeren, maken zij gebruik van zwartwerkers en illegale vreemdelingen en gaan zij flexibel om met afspraken rond de winkelsluitingstijden en minimumprijzen voor bepaalde producten. Deze droge opsomming wekt ten onrechte de indruk dat er in de beschreven branches weinig zou deugen. De lezer bedenke zich dat wij de schijnwerper selectief hebben gericht op onregelmatigheden.
In dit verband is het van belang om op te merken dat het ondernemerschap van immigranten zich niet gelijkmatig over de gehele sector uitstrekt. Het gros legt zich toe op de meer laagdrempelige en laagwaardige economische activiteiten. In zekere zin pikken immigrantenondernemers de minder aantrekkelijke graantjes die andere, inheemse ondernemers hebben laten liggen. In de confectie-industrie bijvoorbeeld, troffen we amper immigranten aan bij de bedrijven die zich toeleggen op de meer lucratieve aspecten als het ontwerpen of de marketing van confectieproducten, maar des temeer bij loonbedrijven die opereren in een hoogst onzekere en competitieve markt. In beperkte mate zijn immigranten in de andere sectoren in staat gebleken eigen markten te creëren, bijvoorbeeld door de productie en verkoop van typisch 'etnische' producten, zoals Turks brood of halâl-vlees. Echter, ook in die markten is hun product de facto laagwaardig, onder andere als gevolg van het gebruik van (te) goedkope grondstoffen, het geringe assortiment of de sobere presentatie van de producten. 
Go to top
In alle beschreven branches is sprake van lage toetredingsdrempels, met als gevolg een groot aantal gegadigden voor het ondernemerschap. Veel, misschien te veel immigranten wagen een gokje in dezelfde markt en het gevolg is een weergaloze prijsconcurrentie. Die concurrentie werkt in zekere zin informele productie in de hand: het ontduiken van wettelijke verplichtingen levert de ondernemer immers bezuinigingen op. Inheemse Nederlanders die in dezelfde markt actief zijn, ondervinden deze druk evenzeer. De ondernemers reageren er heel verschillend op. Sommigen nemen de kans op knoeierij al te graag waar; anderen komen meer 'per ongeluk' in de informele economie terecht. Naarmate een ondernemer minder zicht heeft op de wet- en regelgeving en de bureaucratie, moet de kans op informaliteit groter worden geacht. In de complexe verzorgingsstaat die Nederland met zijn vele en weinig doorzichtige uitvoeringsorganen is, is dat eigenlijk niet eens zo raar. Daarnaast moet worden geconstateerd dat het vakmanschap van immigrantenondernemers nog wel eens onder de maat blijft: het ontbreekt menigeen aan voldoende ondernemersvaardigheden, zoals marketing en prijscalculatie.
Menig ondernemer weet zich voor het verwerven van informatie, kapitaal en arbeid verzekerd van steun van verwanten en anderen uit hun netwerken. Er zijn verscheidene pogingen geweest om de ondernemers van één bepaalde etnische categorie binnen één bepaalde branche te organiseren. Binnen zulke organisaties worden dan afspraken gemaakt over de professionalisering van de activiteiten en over de handhaving van minimumprijzen. Sommige van deze organisaties hebben daartoe zelfs overleg gevoerd met de overheid of met brancheorganisaties. Van grote continuïteit is evenwel geen sprake. De meeste samenwerkingsverbanden blijken tamelijk breekbaar te zijn, deels omdat men elkaar als concurrenten blijft zien, deels omdat tastbare resultaten uitblijven.
De brancheorganisaties of bedrijfschappen hebben diverse malen en met wisselende intensiteit een handreiking gedaan naar immigrantenondernemers uit hun branche. Zulke inspanningen worden vaak ingegeven door klachten van inheemse ondernemers dat immigranten ongestraft de strenge regels mogen overtreden waaraan zij zich zelf keurig houden, of door het streven om hun branche hoogwaardig te houden. De brancheorganisaties voelen zich niet altijd gesteund door de overheid, die de handhaving van regels inadequaat zou controleren. Dit laatste geldt overigens niet voor de loonconfectie-industrie. Daar hebben ingrijpende acties van multidisciplinaire fraudebestrijdingsteams ertoe bijgedragen dat de werkgelegenheid in de sector, en ook een beetje daarbuiten, in een korte tijdspanne gedecimeerd is. 
  Go to top
 

beleidsoverwegingen
De structureel toenemende kansen voor informele economische activiteiten en de specifieke rol die immigranten hierin spelen, lijken de overheid voor een almaar nijpender dilemma te plaatsen. Die overheid ziet zich geconfronteerd met de mogelijkheid dat overtreding van door haar opgestelde regels zal toenemen, maar tegelijkertijd zouden de informele economische activiteiten kunnen bijdragen aan een proces van sociale en economische emancipatie van uitgerekend die groepen waar dit proces tot dusver nogal moeizaam is verlopen.
Een grote lankmoedigheid van de overheid ten aanzien van informele economische activiteiten zou ten eerste kunnen leiden tot een (verdere) erosie van het vertrouwen in de overheid als opsteller en handhaver van regels in het algemeen. Een tweede bezwaar tegen een verregaande tolerantie van regelovertreding is dat allerlei breedgedeelde doelstellingen op het gebied van bijvoorbeeld milieu, arbeidsomstandigheden en de kwaliteit van waren gevaar zouden kunnen lopen. Een derde, meer specifiek politiek bezwaar betreft het risico dat de overheid, die geacht wordt neutraal te zijn en niet te discrimineren, bij het overtreden van regels in bijvoorbeeld etnische economieNn andere maatstaven hanteert dan zij elders in het economisch verkeer doet. Zeker op de wat langere termijn zou dit tegenbedoelde politieke consequenties kunnen hebben, omdat de overheid zo bijdraagt aan een sociaal-economische politiek die werkelijke of vermeende etnische scheidslijnen versterkt in plaats van overbrugt. 
Maar ook het andere uiterste -- strikte handhaving van de regels -- is weinig aantrekkelijk. Ondernemerschap is voor immigranten van oudsher een belangrijke avenue of mobility. Even onmiskenbaar, en ongeacht de herkomst van de ondernemer, gaat dit zeker in de beginfase nu eenmaal vaak gepaard met een informele werkwijze. Het effectief tegengaan van die activiteiten zou wel eens als onbedoeld neveneffect kunnen hebben dat die route drastisch ingeperkt wordt. Immigranten, die zich toch al geconfronteerd zien met obstakels van velerlei aard -- bijvoorbeeld bij het zoeken naar een baan of het verkrijgen van een lening --, zouden zo ook nog eens worden belemmerd bij het benutten van hun eigen potenties. Dit laatste kan niet zomaar onder de tafel worden geveegd. Het gaat hier immers om personen die het lot in eigen handen nemen en metterdaad demonstreren dat zij bereid zijn een actieve rol in de economie te spelen. De maatschappelijke betekenis van het economisch handelen van immigrantenondernemers wordt bovendien verveelvoudigd door het feit dat zij aan veel andere immigranten arbeid en inkomen verschaffen.
Een eerste en tevens tamelijk voor de hand liggende weg dit dit dilemma lijkt het verschuiven van de grens tussen formele en informele economische activiteiten. Door de regels te versoepelen of zelfs geheel weg te nemen, kan wat eens informeel was formeel worden. Het probleem van de uitholling van het vertrouwen in de overheid lijkt zo te worden ontlopen, terwijl men met een simpele pennenstreek toch de ruimte schept voor die activiteiten welke belangrijk zijn voor de kansen op sociale stijging van immigranten.  Go to top
Men kan deze deregulering (hier breed opgevat, dus inclusief belasting- en sociale premieregelingen) generiek aanpakken door op nationaal niveau regels terug te dringen. Deze vorm van deregulering maakt inmiddels al weer jaren deel uit van het economische beleid van de opeenvolgende kabinetten in Nederland. De ruimte voor generieke deregulering in geavanceerde economieën is evenwel tamelijk beperkt gebleven. Regels voor een hele reeks van terreinen (milieu, gezondheid, arbeidsomstandigheden en de kwaliteit van het product) kunnen wel worden gestroomlijnd, maar gezien de mogelijk schadelijke gevolgen niet wezenlijk worden beknot. Er is wel meer ruimte om te sleutelen aan belasting- en premiedruk, de hoogte van het minimumloon en de verblijfsvergunningen van de betrokken ondernemers en werknemers. Maar hier wordt de handelingsvrijheid ingeperkt door de algemene financiële situatie, de relatie van het minimumloon met het sociale zekerheidsstelsel, de immigratiepolitiek enzovoort. Blijven over de regels ten aanzien van vestigingseisen en ondernemersvaardigheden. Zeker onder de vorige minister van Economische Zaken is op dit terrein al het een en ander gebeurd. Van een generieke politiek van (verdere) deregulering valt op korte termijn evenwel niet veel te verwachten. Het is een uitermate moeizaam en tijdrovend proces, terwijl de ruimte voor echte ingrepen erg klein blijkt te zijn. Op zijn best, zo schijnt het, worden bepaalde vormen van deregulering kortstondig toegepast in de meer feestelijke sfeer. Zo schieten tijdens de Uitmarkt en Koninginnedag onder goedkeurend oog van de autoriteiten talrijke informele onderneminkjes als paddestoelen uit de grond. Maar ook bij zulk een bijzondere vorm van deregulering naar tijd en plaats komen de begrenzingen van deregulering scherp aan het licht. Ze gaat namelijk gepaard met een ongemeen grote activiteit van handhavende instanties zoals de Keuringsdienst van Waren. 
Men zou deregulering echter ook meer specifiek voor bepaalde gebieden kunnen toepassen, bijvoorbeeld door economische ontwikkelingszones in te stellen. De lokale specificiteit maakt dan ogenschijnlijk een veel verder gaande deregulering mogelijk, niet eens zozeer ten aanzien van milieu, arbeidsomstandigheden en productkwaliteit of minimumloon en verblijfsvergunningen, maar wel op het terrein van belasting- en premiedruk alsmede ten aanzien van vestigingsvergunningen. De eventuele nadelen van deregulering neemt men dan op de koop toe. Er zijn immers grotere belangen in het geding, zoals het versterken van de economische kansen van achtergestelde bevolkingscategorieën of het revitaliseren van verpauperde stadsdelen. De voorbeelden van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hebben laten zien dat deze specifiek territoriale vorm van deregulering slechts met veel fantasie als een wenkend perspectief kan worden gezien. 
Ten eerste lijkt het verlagen van belasting- en premiedruk uiteindelijk maar weinig aantoonbare effecten te hebben gehad op het niveau van de bedrijvigheid in de regio als geheel. Voorzover de bedrijvigheid en werkgelegenheid in enterprise zones toenamen, zijn deze niet onomstotelijk toe te schrijven aan de zoneprogramma's. Ten tweede is er hoegenaamd geen sprake geweest van het witten van informele activiteiten. Noch in Groot-Brittannië, noch in de Verenigde Staten was dit een officiële doelstelling van het beleid. Evenmin waren informele activiteiten een punt van aandacht van de uitvoerders van het beleid. Integendeel, zij wedden eerst en vooral op de sterkere, formele bedrijven die veel banen kunnen verschaffen. Ten derde is gebleken dat een beleid gericht op territoriale deregulering specifieke problemen met zich brengt. Door een bepaald gebied af te bakenen, worden vaak bestuurlijke problemen in het leven geroepen. Men creëert in feite een nieuwe, politiek-ruimtelijke entiteit die langs andere grenzen loopt dan de reeds bestaande. Hierdoor gaan veel tijd en energie verloren met onderlinge stammentwisten. Ten vierde is er het dubieuze effect op de netto-regeldruk. Het voorbeeld van de Verenigde Staten leert dat de uitzonderingspositie van de bedrijven in de enterprise zones juist met veel, vaak tamelijk bureaucratische procedures gepaard gaat. Om een bepaalde vrijstelling te verkrijgen, moet men aan een reeks van voorwaarden voldoen. Daarmee lijkt de papierwinkel eerder te zijn uitgebreid dan afgenomen. Van deregulering komt al met al feitelijk niet zo heel veel terecht, de politieke retoriek rond enterprise zones ten spijt.   Go to top
Als we de Angelsaksische ervaringen in Nederland willen toepassen, doen zich nog meer specifieke problemen voor. In de Nederlandse verzorgingsstaat, die in vergelijking met Groot-Brittannië en zeker met de Verenigde Staten zowel op de arbeids- als woningmarkt fors ingrijpt, is niet alleen de sociale deprivatie minder ernstig, maar is ook de concentratie van armoede per buurt minder sterk. In zekere zin levert dit meer kansen op voor ondernemers uit achtergestelde buurten. Het stelsel van uitkeringen zorgt er in ieder geval voor dat in zulke buurten een minimale, maar relatief toch betrekkelijk grote koopkracht gehandhaafd blijft. Voor deze ondernemers blijft er dus een potentiële markt beschikbaar. Daarnaast zijn buurten in Nederland in sociaal-economisch opzicht gemengd, is het ruimtelijke schaalniveau van de deprivatie kleiner en zijn de bewoners uit achtergestelde buurten lang niet zo getekend als zij in de Verenigde Staten soms zijn. Het hoge niveau van de Nederlandse verzorgingsstaat bemoeilijkt de toepasbaarheid van ervaringen elders ook op een andere manier. Een deel van het beleid dat in de Verenigde Staten met veel bombarie als onderdeel van een enterprise zone- of empowerment zone- programma is gepresenteerd (vooral dat ten aanzien van infrastructuur en leefomgeving), is in Nederland feitelijk al staand beleid. Wie wil putten uit de Amerikaanse ervaringen in deze en in Nederland iets nieuws wil presenteren, bijvoorbeeld in de vorm van kansenzones, moet wel van zeer goede huize komen. Een laatste probleem is dat een op Amerikaanse leest geschoeid beleid van territoriale deregulering in Nederland kan stuiten op juridische barrières. In het bijzonder de territoriale vrijstelling van belastingen zou volgens het Europese recht opgevat kunnen worden als concurrentievervalsing. In hoeverre deze barrières overkomelijk zijn, kunnen wij niet goed beoordelen.  Go to top
Generieke deregulering -- hoe nuttig wellicht ook -- en territoriale deregulering in de vorm van economische ontwikkelingszones -- een veel twijfelachtiger vorm van deregulering -- bieden zoals gezegd geen goede uitweg voor de overheid uit het dilemma van het toestaan van wetsovertredingen en het blokkeren van een belangrijke weg tot emancipatie van immigranten. Wat dan wel?
We zagen dat het gros van de immigrantenondernemers opereert in een markt waarbinnen een structurele impuls tot informeel produceren bestaat. Zo ook zagen we dat een effectieve, volledige controle praktisch onmogelijk is vanwege de gefragmenteerde structuur van de hier betrokken bedrijfstakken. Echt verbazingwekkend mag dit niet zijn. Zolang er regels en belastingen zijn, bestaat er een economische ratio om die te ontduiken. Het verleggen van de grens tussen formeel en informeel kan dan wel succesvol zijn in het formaliseren van sommige, of misschien zelfs maar een deel van sommige activiteiten, maar een volledige formalisering is nimmer haalbaar. Dit geldt bij uitstek voor complexe verzorgingsstaten als de Nederlandse. In zulke staten, met hun onmetelijke verscheidenheid aan regels, is vrijwel geen mens in staat alle regels te kennen, laat staan ze correct na te leven. Slechts aan een enkeling is zulk een volkomen onberispelijk gedrag voorbehouden. Informele economische activiteiten (van immigranten èn anderen) zijn zo bezien op zijn minst deels onvermijdelijk. Go to top
In zulke gevallen kiest men in Nederland doorgaans voor een nuchter beleid, bestaande uit het al dan niet oogluikend toestaan van bepaalde praktijken in combinatie met het aanpakken van excessen. De praktijk van de afgelopen jaren leert ons dat de overheid zich in bepaalde branches en/of in haar handhaving van bepaalde regels inderdaad terughoudend heeft opgesteld. Het gedogen van bepaalde regelovertredingen is wat dat betreft geenszins een idee fixe. Zeker wanneer het gebeurt met het oogmerk de economische positie van bepaalde delen van de bevolking te versterken, is het een reële optie, mits het niet leidt tot een outlaw economy. Een tot op zekere hoogte onontkoombare mate van gedogen dient overeenkomstig de Nederlandse bestuurstraditie 'soepel, vastberaden, maar met mate' te geschieden.
Dit betekent overigens niet dat de overheid iedereen zomaar zijn of haar gang moet laten gaan. Integendeel, ze moet trachten de onderliggende economische logica van de informele economie aan te pakken. Ze moet de avenue of mobility die het ondernemerschap kan zijn, zo breed en zo effen mogelijk maken. Immigrantenondernemers moeten worden geholpen om hun bedrijf verder te ontwikkelen en langs deze weg de druk tot informeel produceren te ontlopen. Geleidelijke upgrading van de betrokken bedrijven, waarmee de moordende prijsconcurrentie in het onderste segment kan worden vermeden, is dan een oplossing. 
Wezenlijk in een dergelijk stimuleringsbeleid is dat actief gebruikgemaakt wordt van het sociale kapitaal waarover immigranten (kennelijk ruimschoots) beschikken. Duurzame markttransacties, het wordt te vaak door economen vergeten, vinden immers niet in het luchtledige plaats, maar zijn ingebed in reeksen van netwerken. Die netwerken genereren het benodigde vertrouwen en maken het uitwisselen van informatie mogelijk. Zonder dit sociale kapitaal wordt zowel het waarnemen van marktprikkels als het uiteindelijk deelnemen aan die markttransacties een moeizame zaak. Hetzelfde sociale kapitaal dat immigranten in de informele economie comparatieve voordelen biedt, dient aangewend te worden voor een versterking van de positie van immigrantenondernemers in de formele economie. Netwerken van veel informeel opererende immigrantenondernemers omvatten doorgaans wel de (potentiële) werknemers en consumenten, maar strekken zich zelden uit tot bijvoorbeeld brancheorganisaties, externe kapitaalverschaffers of relevante andere diensten. Geld lenen, het opstellen van een ondernemingsplan en het invullen van allerlei overheidsformulieren vormen vaak grote problemen voor deze categorie van ondernemers.
Zeker voor organisaties uit de particuliere sector ligt hierin een taak weggelegd. Zij kunnen bij uitstek bijdragen aan het versterken van intermediaire structuren. Het feit dat bedrijfslichamen en brancheorganisaties in bepaalde sectoren op bescheiden schaal reeds actief zijn, is wat dat betreft bemoedigend. Niettemin zouden zij meer dan tot dusver kunnen bemiddelen in de toeleiding van immigrantenondernemers tot vakopleidingen of tot financiering. De overheid kan deze activiteiten stimuleren door subsidies te verstrekken voor het aanstellen van medewerkers en/of het opzetten van programma's gericht op het mobiliseren van immigrantenondernemers binnen een sector. De bedrijfslichamen en brancheorganisaties binnen bepaalde sectoren zouden voorts platforms van (immigranten)ondernemers kunnen oprichten. Die platforms dienen niet alleen om de netwerken van (immigranten)ondernemers formeler gestalte te geven. Ze kunnen ook gebruikt worden om aan ondernemers informatie over regels, opleidingen en faciliteiten door te geven, en om hun belangen binnen de sector te articuleren. Enige betrokkenheid van publieke functionarissen is hierbij wenselijk: op die manier kan de overheid zich dienstig maken aan het bedrijfsleven. Het toekennen van een rol aan bedrijfslichamen en brancheorganisaties sluit overigens goed aan bij de corporatistische structuur van het bedrijfsleven in Nederland. Uiteindelijk moeten al deze inspanningen leiden tot vormen van zelfregulering. Go to top
Wat die zelfregulering betreft, zijn diverse vormen denkbaar. Binnen een reeks van branches (slagerijen, dansscholen, fitnesscentra en zelfs prostitutie) wordt bijvoorbeeld met de instelling van keurmerken getracht beunhazerij uit te bannen en de kwaliteit van de branche als geheel op te vijzelen. De initiatiefnemers speculeren daarbij wel op het gezonde verstand van consumenten.
Zoals eerder gesteld, moet de overheid zich ten opzichte van (informele) ondernemers bovenal presenteren als partner, in plaats van als controleur of hoofdcommies. Een belangrijke opdracht hierbij is het aanzienlijk transparanter maken van de bureaucratie. Wie in Nederland een bedrijf begint, moet zich door een woud van regels werken, waarbij hij tal van instanties -- verwacht maar ook onverwacht -- op zijn weg vindt. Het bevorderen van samenwerking tussen instanties, maar vooral het bieden van dienstverlening aan één loket liggen dan zeer voor de hand. Net als bij de Amerikaanse Economic Development Corporations zouden (startende) ondernemers zich moeten kunnen vervoegen bij één bepaalde medewerker die de weg wijst in de bureaucratie en die voeling houdt met de ondernemer (in spe). Daarnaast zou de overheid meer goedkope bedrijfsruimte beschikbaar kunnen stellen (eventueel in de vorm van starterscentra), meer en toegankelijkere opleidingen kunnen aanbieden, meer microleningen kunnen verlenen en, als consument van een veelheid van goederen en diensten, meer gebruik kunnen maken van het aanbod van kleine (immigranten)ondernemers.
Het valt te bezien of voor zulk economisch stimuleringsbeleid aparte zones moeten worden opgericht. Een bezwaar is dat uitgerekend van buurten met de grootste problemen en van mensen met de zwakste arbeidsmarktpositie en laagste opleiding het meest wordt verwacht: zij zouden zich als het ware aan de eigen bretels uit het moeras moeten hijsen. Het ligt meer in de rede om aan te sluiten bij de bestaande administratieve indelingen. Go to top
Ten slotte dit. Ook dit beleid zal niet het paradijs op aarde brengen. Immigranten zullen niet direct massaal via het ondernemerschap hun achterstandspositie achter zich laten. Daarvoor zijn de mogelijkheden te beperkt en is de weg te lastig. Men bedenke dat de economie maar in beperkte mate door de overheid te beïnvloeden is. Niettemin zal een deel van de immigrantenondernemers in staat zijn met een eigen bedrijf de weg naar boven in te slaan. Dit zal weer ruimte creëren voor nieuwe ondernemers die de opengevallen plaatsen in het onderste segment zullen overnemen, onvermijdelijk deels op basis van informele productie. Weer andere zullen zelf de stap niet kunnen maken, maar daarentegen zal hun nageslacht -- zoals dat ooit met kinderen van Italiaanse pizzabakkers en joodse kruideniers in de Verenigde Staten gebeurde en tegenwoordig met kinderen van Aziatische ondernemers in Groot-Brittannië gebeurt -- betere kansen voor sociale mobiliteit hebben. Met een dergelijke dynamiek van bedrijven en personen, waarbij steeds weer nieuwe groepen in een voor informele economische activiteiten gunstige situatie terechtkomen, is niets mis. Integendeel. Belangrijk is dat er een voortdurende doorstroming plaatsvindt, zodat specifieke groepen niet blijvend met informele economische activiteiten worden geassocieerd. De overheid moet immigranten aldus helpen om deze fase zo snel mogelijk te overstijgen. Het beleid gaat dus ook in deze zin over grenzen.
  Go to top

 
Inhoud

1 Inleiding
Ongekende economische activiteiten
Aanpak van 'knoeiers en niet-willers'
Kansarmoede?
Institutioneel kader
Ruimtelijke dimensie
Nieuwe perspectieven?

2 Begripsbepaling
Inleiding
Begripsbepaling
Een amorf monstrum
Conclusies

3 Etnische economieën in de postindustriële samenleving
Van atavisme tot eigentijds verschijnsel
Global cities en migranten
Etnische economieën
Etnische economieën en informele productie
Dynamiek van etnische economieën
- Politiek-institutionele factoren en de kansen van starters
- Sociaal-economische ontwikkelingen en de kansen van starters
Immigrantenondernemers en hun sociale netwerken
Conclusies

4 De informele economie in Nederland
Beleidsgericht onderzoek
Informele activiteiten wijdverspreid
Wie werkt informeel?
Informeel produceren in de global city
Conclusies

5 Etnische economieën en informele productie in Nederland
De onderliggende dynamiek van het ondernemerschap
- Politiek-institutionele factoren en de kansen van starters
- Sociaal-economische ontwikkelingen en de kansen van starters
Ontwikkelingen in ondernemerschap
Immigrantenondernemers en informeel produceren
- Horeca
- Bakkerijen
- Slagerijen
- Loonconfectie-industrie

6 Economische ontwikkelingszones
Groot-Brittannië: de bakermat van de enterprise zones
De Verenigde Staten: van freemarket naar community
- State Enterprise Zones
- Conclusies
Enterprise zones op zijn Frans: zones franches
Nederland: kans op zones

7 Conclusies en beleidsoverwegingen
Immigranten en de informele economie
Beleidsoverwegingen

Geraadpleegde literatuur Go to top

 
Don't forget to check out the rest...

Overview of my publications
Racism

Islam/Muslims
General issues
Immigrant education
Miscellaneous issues
Migration/ethnic studies
Immigrant entrepreneurship
Immigrant political participation

 
Pay a courtesy visit to...
My book zone
  

Download Depot

Click here

 


"Do you get wafers with it? Of course you don't get f**king wafers with it, it's a f**king albatross" -
Monty Python



© Web design by Jan Rath, Amsterdam/Rotterdam, 2002. 
This website is best viewed with Microsoft Explorer 4.0 or higher. Last update on January 1, 2010
Legal Notice : the information in this website is subject to a disclaimer

Back to top | Home | Sitemap | Address | News | Vita | Publications | Downloads | Research | Education  | Contact